Door Wilco Jansen , 29 december, 2003
Dit hoofdstuk Hasselblad kopen, betreft de 500 serie, de meest verkochte serie geleverd sinds 1957 tot heden. De geproduceerde typen zijn 500C , 500CM, 503CX, 503CXi, 501C, 501CM, 503CW , de ELM en ELX/ELD serie met vast aangebouwde motorwinder laat ik even buiten dit verhaal, ze zijn minder interessant voor de occasionkoper, wie een dergelijke camera gebruikt draait hoge productie en koopt dus nieuw, wat ook betekend dat occasion aangeboden ELM/ELX typen vaak erg veel slijtage laten zien. De 500C is de oudste uit de 500 serie , om te zien van welk jaar een camerahuis is , hanteer je de volgende ,,geheime” code,
V H P I C T U R E S
1 2 3 4 5 6 7 8 9 0
Een camera met voor het serie nummer de code CR = 58 is van 1958, ES is 1990, het zelfde kan worden toegepast bij de magazijnen. De 500CM(vanaf 1970) is de opvolger van de 500C het enige verschil is dat bij deze het matglas gewisselt kan worden. Alle typen na 500C hebben verwisselbaar matglas, ook sommige 500C camera’s (omgebouwd). De 500CM is lang in productie gebleven en uiteindelijk opgevolgd door de 503CX (1988) een 500CM met de mogelijkheid het flitslicht op de film te meten. In 1989 kwam de 500CM nog even terug als 500Classic. Na de 503CX kwam de 500CXi net als de 503CX met OTF(off the film) flash metering. De 503CXi heeft een nieuw type statiefaansluiting.
De 501C is typisch een tussenmodel geweest, een voordelig instapmodel, zonder OTF en met een vast gemonteerde (dus niet wisselbare) transporthendel. Het laatste is nogal inconsequent want alle overige, ook de 500C hadden een wisselbare transporthendel, of zoals aanvankelijk een wisselbare ronde knop, wisselbaar voor een hendel. De 501CM is een 501C doch met de zogenaamde ,,Gliding Mirror”. De Gliding-Mirror is een spiegel die tijdens het spannen van de body iets naar voren schuift, waardoor geen zoekervignettering ontstaat bij gebruik van lange brandpunten of macro-werk. Bij alle 500 voorgangers ontstond bij langere brandpunten een donkere strook aan de bovenzijde van het matglas, soms wel 1/4 van het beeld werd onzichtbaar, bijvoorbeeld bij gebruik van de lichtarme 5,6/120 lens of bij de 250 of 350 en 500mm. De 150mm had er nauwelijks problemen mee, behalve met gesloten diafragma, of met tussenring.
De vignettering was natuurlijk niet op de film te zien, doch wel erg lastig tijdens de opname. Vanaf de 501CM is dit eindelijk verleden tijd en bijna iedere camerafabrikant was Hasselblad hierin voor. De 503CW heeft dus ook een Gliding-Mirror, maar tevens OTF flash en weer een wisselbare transporthendel en nieuw, de mogelijkheid een winder aan te sluiten, de CW winder. Naast de 500serie heeft heel lang de 200serie(spleetsluiter) en de ELM en ELX serie (met vaste winder) gelopen, deze laat ik hier even buiten het verhaal. Tevens liep de SWC serie parallel en deze behoorde bij/ naast de 500serie. De SW serie bestaat uit , Supreme Wide Angle (1954- 1959) erg gezocht door verzamelaars, opgevolgd door de gebruiksvriendelijkere SWC (1959-1979), de Supreme moest na het transporteren van de film de sluiter nog apart gespannen worden, bij de SWC was dat gekoppeld. De SWC/M (1979-1988)is de opvolger van de SWC en op de SWC/M kan een Polaroid achterwand gebruikt worden.
SWC camera’s zijn ook vaak aangepast tot SWC/M de typen overlappen daardoor enigsinds en de vermelding van T* coating op de objectieven loopt ook precies door de overgangs periode van SWC naar SWC/M en wordt nog onoverzichtelijker door de vele aangepaste SWC’s. De aangepaste SWC en de SWC/M zijn te herkennen aan een verhoogte zoekerschoen en verlaagde statiefplaat. De SWC en SWC/M camera’s hebben een vast objectief in de zogenaamde C objectieven uitvoering. De latere SWC/M ‘s zijn uitgevoerd met de nieuwere CF uitvoering vaste objectieven, net als de opvolger de 903SWC. De 905SWC heeft een objectief in de CFi stijl.Waar moet je op letten bij de aanschaf van een 500serie camerahuis?
Een 500C camera is per definitie zeer bejaard, als deze een resente uitgebreide service-beurt heeft gehad is dat geen bezwaar, doch dat is meestal niet het geval, de kosten van zo’n uitgebreide service-beurt komen erg dicht bij de dagwaarde van een 500C. Een 500CM kan van 1970 zijn maar ook van 1989, dat maakt nogal verschil. Zowel bij de 500C als bij de oudere CM bodies moet je er rekening mee houden dat er service kosten aan te pas kunnen komen om 100% plezier van het camerahuis te hebben. In de bodies zit foam verwerkt dat na verloop van jaren verteerd, de meeste foam zit op ingesloten plaatsen waar het ook in verteerde staat zijn functie blijft houden, doch dat is niet het geval bij de plaats waar de spiegel na opklappen wordt gedempt, daar moet foam vaak vervangen worden. Dat laatste is ook niet zo’n probleem .
Anders is het bij het foam dat onder de spiegel in de spiegelhouder zelf verwerkt zit. Kijk eens goed naar hoe de spiegel tijdens het eerste deel van het spantraject te voorschijn komt. Je zal zien dat de spiegel scheef achter de dekplaat vandaan komt, geen paniek, blijf kijken, aan het einde van het spantraject zie je de spiegel een heel vreemde wrikkende beweging maken, voor hij achter de spiegelpal valt. De spiegel staat uiteindelijk weer recht. Het scheve te voorschijn komen en de wrikkende positie waarin de spiegel wordt gebracht zijn bedoelt om alle ruimte in het spiegelsysteem naar een kant te forceren, zodanig dat de spiegel indien goed afgesteld altijd in de zelfde positie komt, waardoor de zoeker was uit te voeren als een 100% zoeker. Als Hasselblad voor een 100% zoekersysteem als bij de Nikon F had gekozen, was de camera aanzienlijk duurder, zwaarder en complexer geworden. De spiegel overleeft de wrikkende beweging doordat de spiegel dunner is dan de ruimte in de spiegelhouder, om te voorkomen dat de spiegel breekt of een willekeurige positie in de spiegelhouder aanneemt is aan de onderzijde van de spiegel in de spiegelhouder foam geplaatst op drie punten. Dit foam is bij de 500C meestal en bij CM vaak verteerd en het vraagt ervaring dit te vervangen, een verkeerde methodiek leidt spoedig tot een gebroken spiegel. Of het onderspiegelfoam verteerd is, is te constateren door met een luchtspuit op de spiegel te blazen, als het foam verteerd is begint de spiegel te bewegen op de luchtstroom. Van het grootste belang is de maatvastheid van het camerahuis, dat wil zeggen de rechtheid ofwel plan-parallel. Een afwijking van 5/100mm valt reeds buiten de tolerantie en 7/100 kan reeds zichtbaar worden bij gebruik van een retrofocuslens als de 50mm met bijna open diafragma. Het is ook voor een kenner zonder testapparatuur niet te zien of een body recht is.
Het enige dat een beetje houvast bied, is het volgende. De buitenkant van de body (Shell) is niet van belang voor de rechtheid van de plan-parallele afstand van achternummerplaat tot frontbajonetplaat, de hele verbindingsconstructie van achterplaat tot bajonet wordt in zijn geheel na justering in de Shell geschoven. Omdat de Shell geen maatfactor is mag deze dat ook niet worden door vervorming of foute montage of verschuiving t.o.v. het binnenwerk. Om geen maatfactor te worden moet de achternummerplaat enige 100ste van een mm achter de Shell rand uitsteken, recht of enigsinds scheef is van minder belang immers het zit er bijna als een hangende jas omheen. Valt de achterplaat enigsinds naar binnen in de Shell, of anders gezegd steekt de Shell rand enigsinds achteruit t.o.v. de nummerplaat, dan is er altijd iets mis, verschoven in de verbinding of gevallen of gestoten. Bovenstaande geld niet voor de SWC serie.
Een camera interieur moet matzwart zijn, doordat het materiaal in hoofdzaak aluminium is en de oxyde daarvan licht, zie je vaak een grijszwart interieur. Sommige ,,handige” lieden zwarten het interieur met een doekje gedrenkt in olie, de reflectie die zo’n interieur geeft maakt bijna iedere opname overstraald. Zwart is okay, glimmend zwart is verdacht. Let op dat de hulpsuiter van de 500serie camera voldoende open gaat om een vignetteringvrije lichtdoorlaat te bieden. De bovenste hulpsluiterflap gaat iets minder ver open dan de onderste, doch hij moet de lichtlijn van frontopening tot achteropening (aan de bovenzijde) in rechte lijn geheel vrijlaten. De hulpsluiterflappen sluiten symmetrisch, dus moet een van beide flappen iets vroeger staan dan de andere, anders haken ze sluitend in elkaar. Als de hulpsluiter open staat (B positie) zie je soms bij de bovenste flap aan de uiterste boven/zijkant een scheurtje aan beide zijkanten(niet zichtbaar bij gesloten hulpsluiter), als het een heel vaag scheurtje is, niet van wakker liggen, als het een duidelijke inscheuring is, kan dit snel verder gaan en kan zelfs over de hele uiterste bovenzijde gaan scheuren (zeer dure reparatie). Het inscheuren heeft soms als oorzaak, dat een reparateur een demper probleem heeft opgelost door simpel de demper te verwijderen (niet van buitenaf te zien) of het komt door dat de camera vaak een hulpsluiterprobleem heeft gehad en te vaak in de goede positie moest worden geforceerd. Zelf sleutelen aan een body kan resulteren dat je geen professionele hulp meer zal krijgen, het systeem oogt zeer eenvoudig doch de complexheid van het mechaniek is goed te verklaren.
Het werkt als volgt: De onspanner geeft de spiegel vrij, deze geeft de hulpsluiter pas vrij, als de spiegel het zoekerlicht geheel heeft afgesloten , anders komt er zoekerlicht om de spiegel heen op de film. Voor de hulpsluiter wordt vrij gegeven moet het onspannerasje van de objectiefspanner zover zijn teruggedraaid dat de lenssluiter dicht staat, daarna is de hulpsluiter pas echt vrij te openen. Als de hulpsluiter geheel is geopend wordt het asje van de objectiefspanner verder vrij gegeven zodat de objectiefsluiter kan ontspannen en de feitelijke belichting plaats vind. De objectief sluiter sluit vanzelf na de ingestelde tijd en de hulpsluiter pas als de onspanknop wordt vrij gegeven. Als de sluiter op B staat zorgt een mechaniekje dat de objectiefsluiter precies sluit voordat de hulpsluiter sluit. Allerlei hulppallen zorgen dat het ene mechaniekje niet voor het andere kan vrijgeven en een regulateur zorgt dat de afloop van het onspanner systeem zodanig wordt geremd, dat er geen stuiter-effecten ontstaan. Een spermechanisme zorgt dat pas kan worden doorgedraaid als de laatste ontspanfunctie geheel is voltooid. Bij het afdrukken zorgt de body er dus voor dat het objectief het proragmma; ,,open-dicht-open-dicht” precies op de juiste momenten uitvoert.
Het aanbod is zodanig groot, dat het niet verstandig is flink gehavende bodies te kopen. Toch is het moeilijk een mooie te vinden omdat het meestal professioneel gebruikte apparatuur is. De cosmetische uitstraling van een huis zegt in de regel veel over wat het item heeft meegemaakt, aan de achternummerplaat is te zien of magazijnen zeer veel gewisseld zijn. De waarde heeft veel te maken met het jaartal ( zie ,,geheime” formule) het type en het type zoeker, op een oude 500C zit soms een dure nieuwe zoekerschacht en omgekeerd, ook vind je vaak in een resente 503CW een matglas van een 500CM, dat scheelt heel veel geld en is vaak de winstfactor van een slimme handelaar. Een body die veel gebruikt is zal slappere bajonet klemveren hebben dan een minder gebruikte en als deze erg slap zijn, zal een zwaar objectief iets doorhangen.
Je kunt de auteur van dit artikel bereiken via: qwilco@zonnet.nl
Alle artikelen zijn eigendom van de desbetreffende auteur. Het reproduceren, kopieren of op enigerlei wijze overnemen van deze artikelen zonder uitrdrukkelijke toestemming van de auteurs is verboden.

heel leerzaam.
dank u wel.